Le Barcelone du nord

31 05 2012

Bonzour. Al drie dagen probeer ik te recupereren van een verkwikkend doch uitputtend weekend Parijs, de sympathieke lichtstad die ik sinds dit weekend het Barcelona van het noorden heb gedoopt. De gelijkenissen tussen beide wereldsteden zijn dan ook treffend: zo hebben ze bijvoorbeeld allebei een a in hun naam. En er is nog meer.

Hoewel het uitstapje naar Parijs zich al wekenlang veelbelovend aankondigde, begon het weekend op zondagochtend klokslag 4u met een serieuze valse noot. Terwijl Stefan en ik keurig op tijd klaarstonden om richting Parijs te cruisen met mijn kanariegele Seat Mii, stuurden Freya en Diederick in eerste instantie hun kat. “Geen paniek”, zo trachtte ik een hyperventilerende Stefan nog te sussen, “Diederick is allicht de bak Barbar nog op zijn brommer aan het hijsen.” Niets bleek echter minder waar. Toen Diederick 5 minuten later arriveerde op de Leuvense Bodartparking, blonk de bak Barbar vooral uit in afwezigheid. “Maar kijk”, zo probeerde Diederick op zijn beurt de ietwat verhitte gemoederen te bedaren, “ik heb Freya meegebracht”. Terwijl de ontgoocheling van Stefans gezicht droop en ik mijn Barbar for the road al op mijn buik mocht schrijven, besloten we toch maar om Diederick niet hulpeloos achter te laten op de parking. De foute keuze, zo bleek achteraf. Met z’n vieren kozen we het ruime sop richting Frankrijk, alwaar een stralende ochtendzon ons zou opwachten.

Parijs, zondagochtend 8u. Nadat ik zonder bloedvergieten haasje-over had gespeeld met een konijn op de autosnelweg, besloten we onze buikjes een eerste keer rond te eten bij “Le boulangerie de papa”, een etablissement dat wereldfaam verwierf met zijn kartonnen chocomelk. Althans, dat beweerde dekselse Diederick, die onzin uitkraamde alsof hij op de achterbank al vijf Barbars achterover had geslagen. Het zou overigens niet voor het laatst zijn.

Freya had het briljante idee opgevat om naar Les catacombes te gaan, een ondergronds gangenstelsel met menselijke resten van wat ooit Parijzenaren waren geweest. Toen we na verscheidene pogingen uiteindelijk de juiste metrolijn hadden gevonden, bleken de catacomben ‘exceptionellement’ dicht te zijn. Geen probleem, zo redeneerde Freya, die spoorslags koers zette naar het dichtstbijzijnde openbare toilet om er een toeristische attractie van te maken. Toegegeven, de Parijse openbare toiletten hebben heel wat bekijks wanneer er twee mannen tegelijk binnengaan. Stefan en Diederick lieten het echter niet aan hun hart komen. Wat er zich exact afspeelde in het toilet heeft Primus inter Pares niet kunnen achterhalen, maar de geruchtenmolen laat weinig aan de verbeelding over.

‘s Avonds brachten we een bezoek aan de Rue de la Huchette, de Muntstraat van Parijs zeg maar. Ons oog viel op Chez Momo, een sympathieke Marokkaan die graag planten kweekt op zijn plafond. Momo trakteerde ons meteen op een aangelengde cocktail maison, waarna we hem ietwat stuurs ‘begiezden’ à la Diederick. Dat kwam ons duur te staan. Marokkaanse vrouwen met een decolleté aan de verkeerde kant waren ons deel, en dus kozen we snel het hazenpad om ‘s avonds een flesje Franse wijn te kraken op de trappen van de Sacré Coeur. Dat werd letterlijk en figuurlijk één van de hoogtepunten van het weekend, met dank aan een ietwat beschonken Pool die er een erezaak van maakte om de goed 500 aanwezige toeristen te entertainen. Drank – nu ja, is Heineken wel een drank - stelen van de Pakistaanse verkopers, met lege blikjes denkbeeldige winning goals maken op de finale van het EK in Polen, ruzie stoken met een slapende zwarte, het hoorde er voor onze Poolse vriend allemaal bij.

‘s Anderendaags begon het Freya te dagen dat ze beter zonnecrème had meegebracht. Het begon Stefan te dagen dat hij beter nog een week had gewacht met die knie-operatie, ik begon stilaan te beseffen dat Parijs echt een stad naar mijn hart is, en Diederick begon stilaan te beseffen dat hij in Parijs was tout court. De bak Barbar was daarentegen nog steeds spoorloos. Op dag twee gebeurde er overigens nog vanalles, maar dat is niet meteen voor publicatie vatbaar.

Ik moet nog uitleggen waarom Parijs sinds vorige week het Barcelone du nord heet. Wel, eerst en vooral omdat het er twee dagen lang 25 à 26 graden is geweest. Twee: er is een wereldberoemde kathedraal aanwezig die een zekere indruk op mij weet na te laten. Drie: er hangt een uitgelaten sfeer, al zal het verlengd weekend daar zeker voor veel tussen zitten. En vier: ik wil al terug.

Foto’s volgen!





Relaas van een vreemde dag

13 05 2012

Paniek ten huize Winckelmans vanochtend, toen bleek dat mijn geliefkoosde squashtruitje zich nog ergens verscholen hield in een vergeten wasmand. Ik zou willen melden dat het een Umbro-truitje betreft, maar vermits het bedrijf in kwestie niet wil betalen voor dergelijk product placement houden we het op ‘een niet nader genoemde producent van squash- en andere truitjes’. Toen begon het me al te dagen dat dit geen gewone dag zou worden.

Ettelijke uren later was het hek helemaal van de dam toen een toevallige bezoeker begon te gekscheren over mijn trouwe Ford Ranger. Natuurlijk is de nieuwe Ford Ranger een opzichtig vehikel. Een vehikel dat bij mijn imago past als een tang op een varken, ook dat moge duidelijk wezen. Doch de Ford Ranger is mijn bondgenoot, want veel prettiger rijdend dan zijn plompe looks doen vermoeden. Nadat ik de afvallige duchtig op zijn plaats had gezet met een imaginaire rechtse hoek, zette ik koers naar Wilsele, alwaar ik Diederick alle hoeken van de squashcourt zou laten zien. Ook dat draaide eventjes anders uit.

Alle Daum-scores nog aan toe beleefde ik een absolute offday. De eerste set wist ik nog naar mij toe te trekken dankzij een te hoge foutenlast bij de tegenstand, maar nadien ging het steil bergaf. Als klap op de vuurpijl sloeg ik pardoes een gat in de lucht bij de setbal in set twee. Hoogst ongewoon voor een squashtalent als ik, dat moest ook Diederick ootmoedig toegeven. “Ach, zo nuanceerde ik, met mijn Umbro-truitje had het er helemaal anders uitgezien”. Diederick knikte begripvol.

“Squashen met diederick, wat leuteren over auto’s, totnogtoe lijkt het er weer sterk op dat hij een hele post lang over niemendalletjes gaat doorbomen”, zo hoor ik de knorpotten al morren. Sorry Jerre, maar lees aandachtig verder.

Eigenlijk was het een zondag als alle andere. Behalve dat de helft van de eersteklassers zijn coach vandaag is kwijtgeraakt, alsof ze het op voorhand hadden afgesproken. De trainerscaroussel kan weer naar hartelust doordraaien, en dan zijn namen als Johan Boskamp en Hugo Broos nooit veraf. Persoonlijk zou ik Bossie graag aan het werk zien bij de Rode Duivels, nu Georges Leekens eieren voor zijn geld kiest. Bossie is een zeer bekwame selectieheer, spreekt bovendien een mondje Frans, en is elke week te gast in Extra Time om boompjes op te zetten over de gouden generatie Rode Duivels. Tenslotte hebben we de beste speler in Griekenland, Frankrijk, Nederland en Engeland, maar lijken diezelfde heren niet in staat om een deuk in een pakje boter te trappen als de nationale eer op het spel staat. Misschien moet ik daar eens een blogbericht aan wijden. Als de voetbalbond een advertentie neemt op Primus inter Pares, misschien. Heb ik trouwens al verteld dat Umbro’s squashtruitjes van zeer bedenkelijke kwaliteit zijn?





Bart De Wever berispt Primus inter Pares

3 05 2012

Van je vrienden moet je het hebben. Iedereen herinnert zich nog wel hoe ik de calvarietocht van Bart De Wever tijdens de 10 Miles in heldhaftige bewoordingen heb verwoord en hoe ik Bart de voorbije jaren door dik en dun heb gesteund op Primus inter Pares. Wel, rancuneuze Bart pakt vandaag uit met een serieuze sneer naar zijn favoriete blog. Alstublieft.

“De media hebben een gigantisch probleem. Geen hond gelooft ze nog. Mochten ze buiten komen, ze zouden het zelf vaststellen”, aldus de NVA-frontman. Bedoelt Bart soms dat ik als hoofd- en enige redacteur van Primus inter Pares niet genoeg onder de mensen kom om hen de vinger aan de pols te houden? Dat ik niet weet wat er leeft onder mijn lectoraat? De Berchemse belhamel zou nochtans beter moeten weten. Vandaag stond ik bijvoorbeeld anderhalf uur lang in de file op de Brusselse Ring en zag ik in Elsene een eekhoorn de straat oversteken. Vermits ik de meerwaarde voor mijn trouwe lezers niet meteen kon vatten, besloot ik hier verder geen gevolg aan te geven. Vermits Bart nu beweert dat ik niet goed bezig ben, doe ik het toch.

Vermoedelijk was de eekhoorn van Afrikaanse origine. Op het moment van het oversteken droeg hij een donkerbruine vacht. De eekhoorn was tenger gebouwd en moet zo ongeveer tussen de 1 en de 56 jaar oud zijn. Hij heeft dringend medische hulp nodig. Of misschien ook niet, want dat valt moeilijk te controleren bij eekhoorns. Als objectief medium kan ik dus alleen maar vaststellen dat ik een eekhoorn heb zien oversteken. Waar kwam hij dan vandaan? Wel, dat ik het bij God niet weet. Vermoedelijk was de eigenwijze eekhoorn op weg naar de plaatselijke boulangerie, om er een groot suikerbrood te kopen. Ongesneden, want daar dienen zijn scherpe knaagtandjes tenslotte voor. Maar misschien ook niet.

Zonder fantasie is een medium als Primus inter Pares waardeloos en zou iedereen mijn onverklaarbare schrijfsels meteen links laten liggen. Dus, beste Bart, als de media besluiten om Jos Ghysen op de korrel te nemen en openlijk te beschuldigen, is dat ten dele te wijten aan het feit dat hun lezers dat ook verwachten. ”Jos Ghysen zou eventueel misschien niet al te pragmatisch zijn omgesprongen met zijn vrouwelijke collega’s, maar we waren er zelf niet bij dus we kunnen het niet helemaal zeker weten” staat nu eenmaal niet al te best op een voorpagina van Het Laatste Nieuws. Maar ik ken er natuurlijk niks van.





De eeuwige 2.249e van de Antwerp 10 Miles

23 04 2012

1.819e in 2009, 2.654e in 2010, en nu 2.249e in 2012. Ik ben er dus alweer niet in geslaagd om de Antwerp 10 Miles te winnen, ondanks het goeie vormpeil, de uitstekende voorbereiding en de obligate voedzame banaan voor de start. Nu weet ik het ook niet meer.

16 kilometer in 1 uur 15 minuten en een handvol seconden. “Buitenaards voor de doorsnee sterveling, een moyenne van 12,9 km/uur”, zou je al denken. En toch zijn er 2.248 soortgenoten sneller dan ik. Een mens zou voor minder ten einde raad zijn. Nu valt het met dat ten einde raad zijn nog wel mee, daar ik niet het type ben dat veel belang hecht aan individuele prestaties. En de bijna 19.000 knoeiers die na mij geëindigd zijn, dragen er ook wel toe bij.

Ik ben er overigens redelijk zeker van dat de eerste 2.248 deelnemers gedopeerd waren, dat kan niet missen. Toen ik na de aankomst met Bart De Wever en Geert Hoste in frituur ‘t Draakske zat om bij te kletsen over hun redelijk belachelijke eindtijd, insinueerde bijdehante Bart al iets gelijkaardigs. Geert tapte zoals gewoonlijk een slechte mop, waarna Bart en ik onze goeie vriend op amicale wijze bekogelden met bierviltjes en berepoten, het ene al wat effectiever dan het andere.

In een zweem van ontgoocheling vroeg ik Bart hoe ik de 10 Miles ooit zou moeten winnen. Ik kan mijn supporters natuurlijk niet blijven paaien met verre ereplaatsen. ”Nil volentibus arduum”, zo orakelde hij. Ondertussen kwam ook Kenny Winckelmans frituur ‘t Draakske binnen. Kenny, die net een knalprestatie had neergezet in zijn gele zwembroek, bestelde spoorslags het menu De Wever. Ondanks een uitstekende voorbereiding – Kenny was drie keer gaan lopen, twee keer meer dan ik – eindigde de pechvogel op een oneerbiedige 5.266e plaats, met een nochtans niet onaardige tijd van 1 uur 24 minuten. Kenny kwam erbij zitten, en vroeg aan Bart wat hij van zijn gele zwembroek vond. Geert Hoste, die ondertussen was rechtgekrabbeld en de laatste berepoten op redelijk dwingende vraag van frituriste Frieda had opgeraapt, antwoordde meteen dat hij de gele zwembroek van Kenny wel iets hebben vond. Nadien volgde een flauwe mop – iets van een gele zwembroek als hoed voor prinses Mathilde – waarna Kenny, Bart en de andere aanwezigen in frituur ‘t Draakske arme Geert bekogelden met berepoten, curryworsten specials, bicky burgers en kokende frietketels. Vooral van die laatste had Geert niet terug.

De ambulance was nog maar net weg toen ik het gesprek met Bart weer op gang wilde brengen. “Zeg eens Bart, hoe kan ik vermijden dat ik volgende jaar opnieuw 2.249e eindig?”, zo liet ik me ontvallen. Burgemeester Bart schrokte lustig verder, en sprak vervolgens de wijze woorden: “nil volentibus arduum, amici mii.” Ik had het onderhand wel gehad met dat Latijns gezeik van Bart, en verliet het pand. Onderweg naar huis kwam ik tot het besef dat ik de 10 Miles nooit zal winnen, hoe hard ik ook mag proberen. “No matter how good you are, there will always be someone who’s better than you.” Wijze woorden van Ayrton Senna, of van iemand anders. Moe maar zelfvoldaan wandelde ik huiswaarts, geen mens die gelukkiger kon zijn met een 2.249e plaats dan ik.





Jay Malinowski – Narceritos

21 04 2012

Onbegrijpelijk dat het twee jaar geduurd heeft voor ik dit gevonden heb…





La Tomatina

10 04 2012

 

Eind augustus vindt in het Spaanse Bunõl het grootste tomatengevecht ter wereld plaats. De landbouwoverschotten van de plaatselijke kwekers worden er vakkundig uitgesmeerd over de hele binnenstad, alwaar duizenden locals en toeristen elkaar bekogelen alsof hun leven ervan afhangt. Niets speciaals, ware het niet dat ik er dit jaar misschien naartoe trek om mezelf te bekronen tot de almachtige oppertomaat, de Lionel Messi van het tomatenwerpen.

Ik ben me al een tijdje aan het afvragen hoe ik dat ga klaarspelen. Eén ding is zeker: er moeten duidelijke spelregels komen voor La Tomatina, anders kan ik er niet in uitblinken. Wie twee tomaten tegelijk gooit, verdient bijvoorbeeld een strafpunt. Een tomaat gooien vanop minder dan 5 meter: strafpunt. Wijsneuzen die mijn geniale worpen proberen te verijdelen door mijn tomaatvoorraad te komen stelen, worden meteen uit de wedstrijd gezet. Of zoals Google Translate het zegt: Inmediatamente de la competición, ¿entiendes? Tot slot moet ik ook punten kunnen scoren met de voet, vermits ik over de armspieren van een aan de ziekte van Duchenne lijdende tuinkabouter beschik. Doch dat zijn slechts details.

Soit, ik zag mezelf al goed op weg om het te schoppen tot oppertomaat, tot mijn entourage me met enkele ontnuchterende boodschappen aan het weifelen bracht. “Kristof, met uw 64 kilo gaan ze u daar gewoon onderuit lopen hoor”, aldus iemand die zichzelf een vriendin noemt. “En ge gaat nog een half jaar naar tomaten ruiken ook!”. Wie zegt dat Lionel Messi niet naar tomaten ruikt?

 

 





De échte ster van Werchter

6 04 2012

Zoals jullie allicht al hebben gelezen in de nationale pers, wordt zaterdag 30 juni een magische dag in de buurt van Werchter. Niet zozeer omdat Mumford & Sons, Editors, Kasabian, The Blackbox Revelation en The XX op hetzelfde podium zullen optreden, en zelfs niet omdat ik – de man die festivals al 25 jaar lang verguist – voor het eerst naar de Werchterse wei trekt om al dat schoons in levende lijve te mogen aanhoren.

“Waarom dan wel, beste Primus?”, hoor ik jullie al komen. Wel, het zit namelijk zo: James Vincent McMorrow, een Ierse singer-songwriter die helemaal niet thuishoort op een festival als Werchter, zal de godganse wei platspelen als nooit tevoren. Jammer genoeg zullen 74.999 festivalgangers op dat moment a) te zat zijn om een muzieknoot van een aanstormende tractor te onderscheiden, b) zich inmiddels met een 14-jarig tentsletje hebben teruggetrokken in hun – u raadt het al - tent, of c) aan het aanschuiven zijn bij Kebab Paradise om er vakkundig opgelicht te worden door de plaatselijke kebabgoeroe. Doch niet getreurd James, want de 75.000e zal er staan. Weer of geen weer, kebab of geen kebab.

www.youtube.com/watch?v=e2XPDP6KkkE





Les Crêtes de Spa

1 04 2012

Toen ik klein was, wilde ik graag voetballer worden. Mijn carrière begon veelbelovend: op mijn 10e speelde ik de pannen van de bank bij KFC Muizen, een prestatie die me een weinig later een droomtransfer naar KFC Hever opleverde. Nog eens 4 seizoenen later en 15 kilo lichter begon ik ook op het veld te schitteren. Topclubs als Racing Mechelen en ook Anderlecht stonden in de rij om de beloftevolle Winckelmans in te lijven, een noeste libero annex linksachter met een puntgave techniek en een spelinzicht waar zelfs Andres Iniesta nog een puntje kan aan zuigen. Op dat moment leerde ik mijn eerste lief kennen, en alles was om zeep.

Inmiddels zijn we weer een aantal jaren en menige levensles later, en heb ik de ambities enigszins bijgesteld. Zo snel mogelijk stinkend rijk worden en een liederlijk leven leiden blijft bekommernis nummer één, maar via de voetballerij zal het dus niks worden. Daarom wil ik vandaag graag marathonloper worden. Niet dat dat zo’n lucratieve business is, integendeel. Een mens heeft gewoon doelen nodig. Zoveel mogelijk discotheken platlopen zegt me nu eemaal bitter weinig, en dus schrijd ik liever doorheen bos en veld om mijn conditie naar ongekende hoogtes te hijsen. Met wisselend succes, dat geef ik grif toe. Gisteren beleefde ik echter een absolute hoogdag, met een onnavolgbare knalprestatie tijdens de gevreesde Crêtes de Spa, volgens kenners de allerzwaarste halve marathon te lande. Akkoord, ‘t is maar een halve, maar we zijn toch al halverwege.

Zonder noemenswaardige voorbereiding trok ik gisteren naar Spa, geflankeerd door de veel fittere Diederick. Bij aankomst troffen we een amalgaam van getrainde kuiten, fitnesszieke afstandslopers, en ook een Waals braadworstenkraam. Terwijl de amateurs in Diederick en mezelf vooral oog hadden voor laatstgenoemde bezienswaardigheid, stond de concurrentie zich al stevig op te warmen. Afijn, zo’n 4 minuten voor de start hadden we onze sportzak in bewaring gegeven, en kwamen we tot de conclusie dat opwarmen voor een andere keer zou zijn. Opwarmen is voor mietjes.

Klets, boem, start

En weg waren we. Op ons dooie gemak haspelden we de eerste drie kilometers af, terwijl we de hoofdzakelijk Waalse concurrentie voor een eerste keer konden taxeren. Geen zweetdruppels, geen gehijg, de blik op oneindig of op de hartslagmeter. “Diederick, waar zitten de andere amateurs?”, zo vroeg ik aan mijn alwetende compagnon de route. “Il n’y en a pas”, riposteerde die in zijn allerbeste Frans terwijl we de eerste helling van de dag opklauterden. Ik dacht twee tellen na, en stelde mijn ambities opnieuw bij: voorlaatst worden, voor Diederick.

Na twee kilometer klimmen kwamen de diesels in Diederick en mezelf echter stilaan op temperatuur. We raapten een aantal overmoedige starters op, het zelfvertrouwen groeide gestaag. Bij de eerste bevoorrading moeten we ongeveer halverwege het peloton gelopen hebben, opgeven was nog steeds niet aan de orde. “5 km gedaan, nog 16 te gaan!”, zo riep een van mijn Vlaamse supporters langs de kant. Van bemoedigende woorden gesproken. De tweede helling van de dag was meteen ook de zwaarste: zo’n 6 à 7 kilometer onafgebroken klimmen, met een kuitenbijter van een skipiste als absolute apotheose. Ook hier weer kwamen we een heleboel lijken tegen, terwijl de lichte miezerregen onze longen net van extra zuurstof voorzag. In de dichte mist – ondertussen zaten we al op zo’n 550 meter hoogte – begonnen Didi en ik aan een lange afdaling die ons alweer een aanzienlijke terreinwinst zou opleveren. Traag klimmen, als een speer naar beneden was immers de afgesproken tactiek van de dag. En dat lukte aardig.

Met de nodige risico’s lieten Didi en ik zich als twee lopende bakstenen van de skipiste vallen. Wedstrijduur 1 hadden we verrassend genoeg in exact een uur afgerond. Wat belangrijker is, is dat we ook meer dan 10 kilometer hadden afgelegd. Met een razendsnelle afdaling in het vooruitzicht, hadden we nog steeds uitzicht op een eindtijd van minder dan 2 uur. Als de krampen uitbleven, de milt niet begon op te spelen of Diederick zijn schoen niet verloor. Met een beetje geluk konden we dit soort onheil vermijden, zodat we met een goed gevoel aan kilometerpaal 17 passeerden.

Derde bevoorrading, graanrepen en peperkoeken à volonté! We hadden gerust nog een babbeltje willen slaan met de Waalse schone die de peperkoeken uitdeelde, maar daarvoor waren we niet naar Spa gekomen. Er wachtte ons nog een laatste helling en twee relatief makkelijke kilometers tot aan de arrivée. Ik zette het op een lopen – wat doet een mens anders in een loopwedstrijd – en begon ook al aardig wat tekenen van vermoeidheid te vertonen en te voelen. Dat weerhield me er gelukkig niet van om als een volleerde berggeit naar boven te schieten, terwijl Diederick even werd opgehouden door enkele minder getalenteerde deelnemers. Het vertrouwen werd groter met de minuut, zoals ik al zei.

De laatste kilometers begon het ons te dagen dat we bezig waren een halve marathon met succes uit te lopen, een heerlijk gevoel dat tot op vandaag alle spierpijnen doet vergeten. We kwamen uiteindelijk aan de streep in een tijd van 1 uur en 52 minuten, meer dan een kwartier eerder dan we zelf hadden verhoopt. En de concurrentie? Die sijpelde volledig uitgeput binnen terwijl wij al op zoek gingen naar het Waalse braadworstenkraam.

Om een lang verhaal kort te maken: Merci Diederick, dat moeten we vaker doen…





Faiblesse oblige

2 04 2010

Ik kom uit een nest van bon vivants, en dat baart me somtijds zorgen. Met een moeder die een zwak heeft voor uitpuilende frigo’s, overladen voorraadkasten en een hoogzwangere diepvriezer is het niet altijd makkelijk om aan de culinaire verleidingen te weerstaan. Ook het vlees is zwak, dat is gekend, maar wie niet sterk is…

… die moet dan maar wat meer sporten om zijn conditie op peil te houden. Niet dat ik  met mijn 63 stuks verwikkeld ben in een hevige strijd tegen de kilo’s,  maar de algemene fitheid is niet meer wat het geweest is. Met dank aan late night-braspartijen, recepties allerhande, een bureaujob en een manifest manco aan vrije tijd. ‘Mens sana in corpore sano’,  durven ze bij een voetbalploegje uit het Brusselse wel eens op te werpen, en op dat vlak hebben de paarse pottenstampers geen ongelijk.





Goede voornemens

31 12 2009

Graag zou ik de geschiedenisboeken ingaan als de man die de wereld voor de totale ondergang behoedde. De hele klimatologische reutemeteut ligt me dan ook na aan het hart. Het hoeft bijgevolg niet te verwonderen dat ik me – met ingang van 1 januari 2010-belangeloos inzet voor de groene gedachte. Ik verklaar me nader.

Misverstanden kunnen we mijden als kiespijn. Daarom is het misschien niet volstrekt overbodig te melden dat mijn goede voornemens zich niet beperken tot een weggegooide stem voor Groen (al dan niet met uitroepteken). Integendeel, als er één partij is die me geen stem kan ontfutselen, is het wel de partij van de halve hippies onder leiding van Wouter Van Besien. Dit terzijde.

Over naar de orde van de dag: vanaf morgenochtend ga ik als part-time vegetariër door het leven, teneinde mijn ecologische voetafdruk een paar maatjes kleiner te maken. Out of the blue misschien, maar er zit een zekere logica achter. Althans, voor zover mijn gecontesteerde gedachtegang logisch genoemd mag worden. Ziehier een poging: beroepshalve worstelde ik me onlangs door een studie over de CO2-productie in België. De vleesindustrie is verantwoordelijk voor 18% van de totale CO2-uitstoot, het verkeer slechts voor een goede 13%. Goed nieuws voor iemand die beroepsmatig een aardig aantal kilometers afmaalt, maar toch. Als iedere Belg twee dagen per week als een konijn zou eten, zou dat gelijkgesteld kunnen worden met 52.000 wagens die van onze Belgische wegen verdwijnen. Quite impressive, if you ask me.

Alles in acht genomen moet ik echter schoorvoetend toegeven dat ik op CO2-vlak eerder matig tot zwak voor de dag kom. Persreizen voor twee nieuwe lichtblokken, een aangepaste versnellingsbak of een chromen strip op de kofferklep zijn nog steeds schering en inslag. Testritten die naar nergens leiden evenzeer. Niet dat het me als liefhebber stoort, maar toch. Ergens vreet het aan mijn groene geweten. En daarom vreet ik binnenkort ijsbergsla a volonté. Tenzij die ingevoerd wordt uit Ijsbergië, natuurlijk.





@ rem: Dimitri Verhulst

14 12 2009

Net weer een twintigtal pagina’s uit De helaasheid der dingen van ’Dimmetrieken’ achter de kiezen. En ‘s mans schrijftalent kan je bezwaarlijk uitzonderlijk noemen, het is veel meer dan dat. 

De one-liners waarmee ik het voorbije half uur om de oren geslagen ben, mogen dan niet altijd inhoudelijk de juiste snaren raken (de mijne dus), maar qua statement kunnen ze wel tellen. Een bloemlezing: ‘Onze kinderen worden geboren in ziekenhuizen. Het zijn ziektes.’  Of nog: ‘Men is toch altijd een beetje klootzak wanneer men een vrouw met een kind laat zitten, maar dat komt omdat je veel te weinig klootzak was om die vrouw te verlaten toen je haar nog niet met een kind had volgestampt.’

Heerlijk.





Excuses

30 11 2009

Sorry aan de gedesillusioneerde Dimitri Verhulst-lezer die vanochtend in de Mechelse bib met diepe droefnis diende vast te stellen dat ‘De helaasheid der dingen’ alweer uitgeleend is. Ik beken.

Een geval van recidivisme overigens. Voor zover ik me kan herinneren is het een primeur in mijn toch al meer dan 23 jaar durende leven. Nog nooit las ik een boek twee keer. Tegen mijn principes, heet dat dan. Maar Dimitri Verhulst verdient de uitzondering te zijn die de regel bevestigt. En dus lees ik straks, net voor ik mijn ogen sluit en de slaap richting morgen probeer te vatten, alweer over het prachtige Reetveerdegem. Nogmaals: sorry.





Het literaire ei

18 11 2009

En daarmee is de toon gezet. Vermits een blog een bestaansreden moet hebben en ik bovendien de schijn hoog wil houden dat ik mijn kostbare tijd niet vergooi aan platvloerse, laag-bij-de-grondse vertelsels van alle slag, volgen hier voortaan de vruchten van het literaire ei waar ik al een tijdje – pakweg 23 jaar – zit op te broeden. Al kan het ook om een doodgeboren kuiken gaan, maar dat oordeel wil ik liever niet zelf vellen.

Toegegeven, op literair vlak loopt het al een tijd niet meer van een leien dakje door een acuut gebrek aan luciditeit. Tijd voor een snedige counter, dus.








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.